Op beversafari in de Damvallei?
Na 150 jaar is de bever helemaal terug!
Sinds een jaar of zeven is de bever begonnen aan een opmars in Vlaanderen en een heel stevige in de Scheldevallei. Van Antwerpen tot in Gent. Deze grootste knaagdieren van Europa zijn de meest vernuftige landschapsarchitecten van het hele dierenrijk en met voorsprong de beste dammenbouwers van de wereld.
Bevers worden steeds frequenter gespot in de groene polen rond de stad Gent. Maar de meeste bevers leven in de Damvallei, een natuurgebied binnen kandidaat Nationaal Park Scheldevallei dat zich vanuit de dorpskern van Destelbergen uitstrekt over een waterrijk gebied van 250 hectare. In 2016 werden hier de eerste sporen van een bever waargenomen. En in nog geen zeven jaar later hebben al een twintigtal exemplaren hun territorium hier uitgebouwd.
Kleine kans om ze te spotten
De kans om een levende bever te zien vraagt een ultieme combinatie van veel geduld en geluk. Eigenlijk moet je daarvoor urenlang ’s nachts of in de vroege ochtend op de loer liggen, en daarbij dus nog veel geluk hebben. Bevers zijn heel schuw. Maar waag het niet als hond of mens hun jongen te benaderen, want dan kunnen ze lelijk bijten. En dat wil je liever niet, want hun tanden zijn ijzersterk. Ook letterlijk, want de twee voorste tanden van een bever bevatten een mineraal, vandaar ook de oranjerode roestkleur.
Slimme houthakker
Wat ze met dat uitzonderlijke gebit allemaal kunnen, kan je dan weer wel zien op de beversafari met gids. Aangezien je het wandelpad rond het meer moet verlaten ben je verplicht dit met gids te doen. Samen baan je je een weg door het dichte struikgewas tot aan de oever. Hier en daar zien we aangevreten en afgeknaagde boomstammen, soms knoerten van wel een halve meter dik. Tientallen inkepingen van tanden laten er geen twijfel over bestaan: hier was een bever aan het werk.
Smallere takken slijpen ze tot die typische potloodpunt. Dikkere stammen kluiven ze op zo’n ingenieuze manier af zodat ze langs de goede kant vallen. En dat is: in het water, waar de bevers de schors en bladeren opeten of de takken verzamelen om een dam of nest te bouwen.
Bevers zijn niet alleen slimme houthakkers maar ook echte bouwkundige ingenieurs. Ze bouwen heuse burchten: bulten van wel anderhalve meter hoog en bedekt met takken in alle formaten. Zo’n burcht zit ingenieus in elkaar. De ingang ligt onder water, maar er is ook een andere uitgang om te vluchten bij gevaar. De kraamkamer binnenin, waar ieder jaar een of twee jongen worden geboren en gespeend, ligt boven het waterniveau en blijft droog. Tussen het meer en de burcht legt een bever vaak ook een watergeul aan als glijbaan om makkelijker in en uit het meer te komen.
Superdammen
In de Damvallei kan je nog een ander staaltje van het waterbouwkundige vernuft van de bever ontdekken. Bevers zwemmen het liefst rond in water van 50 tot 70 cm diep. Die waterstand regelt de bever zelf door een dam te bouwen. Meestal maakt hij wat verderop nog een of twee reservedammen, voor als er toch eentje zou breken. Niet dat dit vaak gebeurt: het vlechtwerk van takken, dat wordt aangestampt met modder, laat geen druppel door. Het nadeel van al dat talent is dat bevers met hun dammen wel eens een heel weiland blank zetten, zoals ook in de Damvallei al is gebeurd. Als je daar al die ongevraagd gevelde bomen bijtelt, hoeft het niet te verbazen dat niet iedereen blij is met de comeback van de bever. De Vlaamse overheid heeft wel een compensatiesysteem voor bijvoorbeeld landbouwers die hun akkers die door toedoen van bevers onder water zijn gelopen. Een metalen omheining kan dan weer fruitbomen beschermen. De leerkracht van een getroffen tuinbouwschool in Melle verwoordde het heel mooi: "Op zich is het heel erg goed nieuws dat het goed gaat met de bever. Je ziet hier tegenwoordig gewoon de sleepsporen op de dijk. We moeten een manier zoeken om samen te leven met het dier. Dat probeer ik ook door te geven."
Mutsen, parfum en vanille-ijs
Rond 1900 waren de laatste bevers uit Vlaanderen verdwenen. Uitgeroeid door de mens. Voor hun vacht, waarvan superisolerende mutsen en jassen werden gemaakt. Voor het castoreum of bevergeil, een geurstof die de bever afscheidt om zijn territorium af te bakenen en dat werd verwerkt in parfum, koortswerende medicijnen en vanille-ijs. En ook voor het vlees, dat naar verluidt naar waterkonijn smaakt. Er bestond zelfs een pauselijke verordening die kloosterlingen toeliet om tijdens de vasten bever te eten. Omdat hij minutenlang onder water kan blijven en een geschubde staart heeft, hadden monniken de paus ervan kunnen overtuigen dat de bever een vis is.
Waarom de bever na 150 jaar is teruggekeerd naar Vlaanderen? Die vraag blijkt moeilijk te beantwoorden. We kunnen alleen maar vaststellen dat de bever de vos en de ree is gevolgd tot in onze contreien.
Geen natuurlijke vijanden
De toekomst hier voor de nieuwe migrant oogt veelbelovend. Via de Schelde en een netwerk van kleinere beken en sloten kunnen bevers zich makkelijk al zwemmend verspreiden. Zo nodig kunnen ze korte afstanden tussen twee waters overbruggen, al gebeurt dat onhandig voortschuifelend zoals een zeehond. Natuurlijke vijanden, zoals de wolf, zijn er vooralsnog niet. Bevers zijn overigens beschermd, net als hun burchten en dammen.
Bovendien zijn de ijverige knaagdieren ook nog eens honkvast van aard. Als ze hun dammen en burchten eenmaal hebben opgetrokken, blijven ze die jarenlang gebruiken. Met een partner aan wie ze hun hele leven trouw blijven.
Tekst geschreven o.b.v. artikel in Het Nieuwsblad met leuke weetjes vertelt door gepensioneerd dierenarts Hugo Vinck, die ook de plaatselijke voorzitter is van Natuurpunt, en natuurgids Frank Vermeulen
Foto's (c) Thais Buytaert